Breien

Proeflap breien, meten en patroon maken

Ik heb in een breiboek een patroon gezien voor een vest maar ik heb hele andere wol dan in het boek wordt beschreven. Wel heeft mijn wol dezelfde naalddikte als in het patroon in het boek. Ik moet nu dus eerst een proeflap van mijn wol maken en gebruik daarna de tekeningen met afmetingen uit het boek om zo mijn eigen patroon voor dit vest te creëren.

Als ik een proeflapje ga breien dan kijk ik eerst even op het etiket van de bol wat de (gemiddelde) steken verhoudingen zijn. Op mijn etiket staat dat 10 cm breedte uit 9 steken bestaat en dat 10 cm hoogte 11 toeren in beslag neemt. Voor mijn proeflap zet ik dan minimaal 3 x 9 steken (27 steken) op en brei ik minimaal 22 toeren in tricôt steek. Op het etiket staat een geadviseerde naalddikte van 8  of 9. Ik kies dan voor 8 omdat ik niet echt strak brei. Na het breien van de proeflap laat ik het lapje een dag onder een vochtige doek liggen. Daarna kan ik de lap gaan meten. Ik gebruik hierbij twee dunne haaknaalden om de afstand van 10 cm duidelijk zichtbaar te maken op de lap (zie foto’s). Op mijn manier van breien met deze wol heb ik dus 15 toeren nodig voor 10 cm hoogte en 11 steken voor 10 cm breedte. Nu kan ik berekenen hoeveel steken ik op moet zetten en hoeveel toeren ik moet breien voor een bepaald patroon.

Hieronder zie je een foto van de tekening van de mouw.

Er staan telkens 4 afmetingen elk behorend bij een bepaalde confectiemaat, in dit geval 36/38, 40/42, 44/46, 48/50

Ik heb maat 38 maar ik brei altijd de maat groter, dus ik ga voor de tweede maat 40/42. Dus de boord van mijn mouw wordt 26 cm breed, de bovenkant van mijn mouw wordt 44 cm breed en de totale hoogte van mijn mouw wordt 47 cm lang.

Dan ga ik nu rekenen:

Mijn proeflap heeft 11 steken op 10 cm.

Mijn boord moet 26cm  zijn, dus ik zet 28 steken op voor mijn mouw (2,6 x 11 steken = 28,6)

Mijn mouw moet eindigen bij 44 cm breedte, dat zijn 48 steken (4,4 x 11 steken = 48,4)           dat houd in dat ik verdeeld over mijn mouw 20 steken moet meerderen. (48 steken aan de boven kant – 28 steken aan het begin)

Het patroon in het boek zegt dat ik eerst 6 cm ribbelsteek moet breien, dan nog 4 cm tricôt en daarna begin met de meerderingen. Dus eerst 10 cm breien zonder te meerderen en dan nog 37 cm met meerderingen. De eerste meerderingen maak ik op 10 cm hoogte (ik moet aan elke kant 1 steek meerderen, dat zijn dus 2 steken in één toer). Ik ga dus de 18 steken die ik nog moet meerderen verdelen over de 37 cm die ik nog moet breien. 37 cm hoogte is 55,5 toeren (3,7 x 15 toeren). De 18 steken die ik moet meerderen deel ik door 2 (want je meerdert 2 steken in een toer). 55,5 toeren gedeeld door 9 keer meerderen = 6,1 Dat houd dus in dat ik elke 6e naald aan weerskanten van de toer 1 steek meerder. Dat meerderen doe ik op 1 steek vanaf de kant, dus in de 2e steek en in de 1 na laatste steek.

Nu kan ik mijn twee mouwen gaan breien:

28 steken opzetten, 6 cm in ribbelsteek breien, 4 cm in tricôt steek breien en daarna in elke 6e naald aan twee kanten 1 steek meerderen op 1 steek vanaf de kant. Bij 47 cm totale hoogte alle steken losjes afkanten. Klaar!

Op dezelfde manier bereken ik het patroon voor het rugpand en voor de voorpanden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s